GEZAG EN OMGANG

Gezag en omgang

Gaat u scheiden en hebben u en uw ex-partner kinderen, dan spelen uw kinderen een belangrijke rol. U en uw ex-partner moeten een aantal afspraken maken die in het belang van uw kinderen zijn.

  • Waar gaan uw kinderen na de scheiding wonen?
  • Wie neemt de dagelijkse beslissingen?
  • Wanneer zien de kinderen de niet-verzorgende ouder?

Boosheid, verdriet, onmacht, alle gevoelens die een verbroken relatie met zich mee kan brengen moeten even opzij gezet worden wanneer het om de kinderen gaat. Advocatenkantoor Warmerdam helpt u graag bij het maken van deze afspraken.

Het ouderschapsplan

Gaat u scheiden en heeft u kinderen met uw ex-partner, dan bent u verplicht een ouderschapsplan op te stellen. Ook wanneer u nooit getrouwd bent geweest, maar wel samen het gezag over de kinderen heeft, moet u bij het beëindigen van uw samenleving een ouderschapsplan opstellen. Het uitgangspunt van zo’n ouderschapsplan is dat beide ouders na de scheiding verantwoordelijk blijven voor de kinderen. Uw kinderen recht op gelijkwaardig ouderschap na de scheiding. De rechtbank zal alleen in uitzonderingsgevallen het gezamenlijk gezag wijzigen in ‘eenhoofdig gezag’.

Woonplaats

De woonplaats van uw kind(eren) na de scheiding, moet zo veel mogelijk aansluiten bij het adres waar uw kind(eren) woonde(n). De afspraak over de woonplaats van uw kind(eren) heeft met name administratieve en fiscale gevolgen.

Zorgregeling versus omgangsregeling

Het omgangsrecht is een fundamenteel recht van de ouder die niet de hoofdverzorgende is én het kind. Voor dit omgangsrecht zijn er twee juridische termen: de zorg- en contactregeling en de omgangsregeling. Er wordt gesproken van een zorg- en contactregeling als beide ouders gezag hebben en van een omgangsregeling als de ene ouder wel gezag heeft en de ander niet. Oftewel: het onderscheid zit hem in het antwoord op de vraag of ouders gezamenlijk gezag hebben of niet. Bij de zorg- en contactregeling hebben ouders dat dus wel, bij de omgangsregeling hebben ouders dit dus niet.

Op welke momenten het contact (of de omgang) plaatsvindt, is in beginsel iets wat ouders onderling regelen. Dat kan een regeling zijn waarbij er een weekend per twee weken contact (of omgang) is, maar het kan ook een regeling zijn waarbij ieder weekend van vrijdag uit school tot en met zondagmiddag contact (of omgang) plaatsvindt, of een regeling afhankelijk van een werkrooster van 1 van de ouders, of bijvoorbeeld de zorg helemaal 50/50 gedeeld wordt qua tijd. Alles is hierbij mogelijk, met het belang van het kind uiteraard voorop.

Indien ouders geen overeenstemming bereiken over de regeling, kan de rechter een regeling vaststellen. De rechter kan de regeling dan vaststellen, wijzigen of het contact (of de omgang) ontzeggen (bij gezamenlijk gezag slechts met een maximale duur!) wanneer er sprake is van zwaarwegende belangen van het kind of wanneer het kind ernstige bezwaren heeft tegen het contact (of de omgang). De mening van het kind zal, afhankelijk van de leeftijd, ook meegewogen worden. Mocht de rechtbank er zelf niet uitkomen, dan kunnen ze ook de Raad voor de Kinderbescherming vragen om onderzoek te doen naar de meest wenselijke zorg- en contactregeling dan wel omgangsregeling.

Sinds 2009 kennen we de wet “Bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige echtscheiding”, als gevolg waarvan ouders met gezamenlijk gezag afspraken moeten maken over bijvoorbeeld de zorgverdeling als zij uit elkaar gaan. Die afspraken leggen ouders neer in een ouderschapsplan. Uitgangspunt van de wetgever bij deze wet is geweest dat kinderen recht hebben op een “gelijkwaardige zorgverdeling”. Dat wordt nog wel eens verward met een gelijke (50/50) zorgverdeling, maar dat is niet wat de wetgever heeft bedoeld. Bedoeld is zoveel mogelijk aan te sluiten bij de wijze van zorgverdeling als die ten tijde van het huwelijk / de relatie het geval was, zodat er voor het kind dus zo weinig mogelijk “verandert”.

Co-ouderschapsregeling

Een van de mogelijkheden voor een zorgregeling is de co-ouderschapsregeling (50/50 regeling). Daarbij verblijft het kind een evenredig deel van de week bij de beide ouders. Ook deze regeling kunnen ouders geheel naar eigen inzicht invullen (daarbij uiteraard in overleg met het kind afhankelijk van de leeftijd). Een voorbeeld hiervan is een week-op-week-af-regeling. Een ander voorbeeld is dat het kind in de even weken van zondagmiddag tot woensdagmiddag bij vader en de rest van de week bij moeder verblijft, terwijl dat in de oneven weken juist andersom is. Het voordeel van een co-ouderschapsregeling is dat het kind even veel tijd besteedt bij beide ouders. Ook hierbij geldt dat als de ouders niet in onderling overleg tot afspraken kunnen komen, de rechter een co-ouderschapsregeling kan vaststellen. De mening van het kind zal dan, afhankelijk van zijn of haar leeftijd, meegenomen worden, alsmede de wijze van communicatie / verstandhouding tussen ouders. Voor een co-ouderschap is dat laatste namelijk extra van belang. Er dient veel meer overleg te worden gevoerd, en daarvoor moet wel een bepaalde basis aanwezig zijn.

Informatie- en consultatieplicht

Als er geen regelmatige omgang is tussen het kind en de niet-verzorgende ouder, is het mogelijk om een regeling van de informatie- en consultatieplicht te laten vastleggen. Na de scheiding is de verzorgende ouder verplicht de andere ouder informatie te verstrekken. Ook is de verzorgende ouder verplicht de andere ouder te raadplegen over gewichtige beslissingen aangaande het kind.

Eenhoofdig gezag

De hoofdregel is dat ouders bij echtscheiding gezamenlijk het gezag behouden. Er kan zich echter een situatie ontstaan waarbij dat gezamenlijk gezag niet meer in het belang van het kind kan worden geacht. Op de website van de overheid is allereerst uitgebreid uiteengezet welke vormen van gezag er zijn, en wanneer en op welke manier er wijziging in de status kan worden aangebracht:

Een ouder kan om een aantal redenen de wens hebben om het eenhoofdig gezag te krijgen (en dus het gezamenlijk gezag te beëindigen). Een van de belangrijkste aspecten is om het (eventueel) makkelijker te maken om beslissingen te nemen of de zorg en opvoeding van de kinderen. Het recht en de plicht van de niet-gezaghebbende ouder daartoe komt namelijk te vervallen.

Het al dan niet hebben van ouderlijk gezag los van de vraag of een ouder alimentatieplichtig is. Dat betekent dat bijvoorbeeld de moeder die het eenhoofdig gezag over de kinderen draagt, nog steeds aanspraak kan maken op kinderalimentatie van de vader. Gelet hierop zal het aanvragen van eenhoofdig gezag met name wenselijk zijn als de belangen van de kinderen hierom vragen.

Voor een beoordeling van de kans op toewijzing van een verzoek tot eenhoofdig gezag kijkt de rechtbank naar verschillende aspecten.

Volgens vaste rechtspraak moet de partij die het verzoek indient tot wijziging van het ouderlijk gezag, aan de hand van feiten en omstandigheden voldoende concreet maken wat er in de weg staat aan het uitoefenen van het gezamenlijke gezag. Hoe meer omstandigheden er kunnen worden aangedragen, hoe groter de kans dat het verzoek tot eenhoofdig gezag wordt toegewezen. Verder zal een verzoek tot eenhoofdig gezag niet snel tijdens of vlak na een echtscheiding worden toegewezen. Dat er in een dergelijke periode sprake is van spanningen en/of problemen in de uitoefening van het gezag komt relatief vaak voor, en is gelukkig meestal van tijdelijke aard.

Hoe kunnen we u helpen?

IK HEB EEN VRAAG
KENNISMAKEN
BEL MIJ TERUG
Lidmaatschappen

Hulp nodig of vragen over gezag en omgang?

NEEM CONTACT OP